De Spaanse griep

Op 11 november 1918 zwijgen de wapens. Maar de ellende was nog niet voorbij. De Spaanse griep teisterde Europa, duizenden mensen, vooral jongeren, stierven eraan. In Bierbeek was de familie Kempeneers zwaar getroffen. Bertha Kempeneers verloor op enkele dagen 5 zussen en een broer, maar zij kon het navertellen.

Einde mei 1918 werd via een persbericht voor het eerst melding gemaakt van een geheimzinnige en onbekende ziekte die in Spanje opgedoken was. Toen was er blijkbaar nog reden tot ongerustheid. Weinige tijd later vroeg de medische wereld toch om voorzorgsmaatregelen te treffen. Eerst werd gedacht dat de ziekte een vorm van pest kon zijn, of een nieuw Duits vernietigingswapen. Feit is dat de ziekte zich razend snel verspreidde, ook buiten Spanje. In Madrid vielen de eerste doden. Wellicht omdat de ziekte voor het eerst in Spanje opgedoken bleek, werd ze “Spaanse griep” genoemd. Later zou blijken dat de oorzaak van de epidemie helemaal niet in Spanje te zoeken was.

Algemeen wordt aangenomen dat Amerikaanse troepen de ziekte in 1918 in Europa hebben binnen gebracht. In het begin van 1918 stuitte een arts in Kansas op een eerste geval van hardnekkige influenza. Het slachtoffer was een van de vele Amerikaanse militairen die werden klaargestoomd om Europa uit de impasse te halen. In maart en april bereikte het aantal besmette Amerikanen een hoogtepunt.

Eind augustus 1918 nam het aantal besmettingen zienderogen af. In de herfst van 1918 zou blijken dat het virus als een massamoordenaar in ons continent naar schatting 20 tot 50 miljoen mensen doodde. Ook Bierbeek ontsnapte er niet aan (zie de demografische gegevens in het boek 'Bierbeek 1914-1918' van de Werkgroep Oorlog&Vrede). Het zwaarst getroffen was het gezin van Egidius Felix Kempeneers en Maria Juliana Vanham op Ruisbroek. In het gezin stierven niet minder dan 6 kinderen: Anna Maria Ida (18 jaar), Maria Nathalia Lydia (16 jaar), Maria Julia Valeria (14 jaar), Florentina Gabriella (12 jaar), Anna Maria Gabriëlla (6 jaar) en Armand Vital (3 jaar). Bertha, 9 jaar, was samen met haar vader de enige die niet ziek werd.


Bertha Kempeneers

In het boek “De allerlaatste getuigen van WO I” noteerde Philip Vanoutrive het verhaal van Bertha Kempeneers uit Bierbeek.

Bertha, geboren in 1909, dus 9 jaar oud in 1918, vertelt:

“Het nieuwe schooljaar van 1918 startte ik in Tienen, op aandringen van een familielid. Ik ging er graag naar school. Ik zat in de klas van soeur Bertha.
Op een ochtend begon in vreselijk te huilen. Ik wilde naar huis. Ik zei dat ik ziek was. Maar dat was gelogen. Zuster Bertha bracht me bij mijn gastouders in de stad, maar die waren helemaal in de war, want die ochtend was er een brief gekomen van vader die meldde dat het geplande bezoek van mijn ouders de volgende zondag niet kon doorgaan. Mijn twee oudste zussen lagen ziek in bed en ook moeder voelde zich niet best, stond er in de brief. Enkele dagen later kwam vader mij toch halen.”

Bertha schuift wat dichterbij en begint op haar vingers te tellen: “Ida 18 jaar, Lydia 16 jaar, Odile 14 jaar, Maria 12 jaar, Valérie 6 jaar en het klein Vitalleke 4 jaar. Alle zes zijn ze gestorven aan de Spaanse griep. Rosalie en Désiré werden ook ziek maar kwamen er, evenals ons moeder, weer bovenop. Enkel vader en ik hebben de griep nooit gekregen.”

“Hoe de Spaanse griep bij ons is binnen geslopen, daar ben ik geen getuige van geweest, omdat ik op dat moment nog in Tienen zat. Maar ik heb het moeder tot in den treure horen vertellen en kan er mij nog ieder woord van herinneren.”

“Moeder heeft Florine zo dikwijls verwenst.”

“Die zottin van een Florine heeft de ziekte hier binnen gebracht”, siste ze dan, overmand door verdriet en wrok. Florine was een nicht en een leeftijdgenote van ons Lydia. Bij de aangetrouwde familie had de Spaanse griep het leven van twee dochters genomen en Florine was moeder komen vragen of Ida en Lydia met haar mee mochten om hun rouw te betuigen aan de ouders van de dode meisjes. Het waren immers vriendinnen geweest. Moeder had het met klem verboden. “Ons maskes gaan niet mee. Om de ziekte hier binnen te brengen zeker? Geen sprake van, ’t zou er lief uitzien met al die kinderen hier in huis”, had ze Florine geantwoord.
“Maar tante Anastasia, we zullen buiten blijven, ik beloof dat we niet in dat huis zullen gaan”, had onze nicht nog aangedrongen. Tevergeefs, moeder kwam niet terug op haar kordate beslissing. Ida en Lydia bleven thuis!”.

“Ida had echter Florine stiekem toch vergezeld. Die had wel haar belofte gehouden, mijn zus en mijn nicht zijn inderdaad het huis niet in geweest. Uit voorzorgsmaatregelen voor verdere besmetting had men de dode zussen in het gras voor het huis neergelegd. Florine en Ida hebben ze een kruisje op het hoofd gegeven. Mijn oudste zus tekende daarmee niet alleen haar eigen doodsvonnis, maar ook dat van drie zussen en twee broers.”

“De ochtend daarop was het reeds zo ver. Ida begon te klagen: “Ma, ‘k voel mij niet goed. Ma, ‘k ben ziek.” En uit angst biechtte Ida alles op. Ons ma was zeer katholiek en vroom, vloeken was bij ons thuis uit den boze, maar naar verluid rolden na Ida’s bekentenis de vloeken als donderslagen over moeders lippen. “Ida, godverdomme, ge hebt niet geluisterd en u laten overhalen door die zottin van een Florine. Godverdomme Ida, subiet hebt ge de ziekte hier binnen gebracht!”

Tegen de avond was ook Lydia al iets gewaar geworden en moeder voelde zich eveneens niet zo best. Enfin, tegen de tijd dat ik thuis kwam uit Tienen, lagen ons ma en de twee oudsten ziek te bed. Ze hadden rillingen en hoge koorts en werden geplaagd door keel- en spierpijn. Kortom, de typische symptomen van een gewone griep zoals wij die nu nog kennen. Veel konden we niet doen. De dokter wist geen raad en er bestonden geen afdoende medicijnen.”

“Ida en Lydia waren er het ergst aan toe. “Geef ze nog wat te drinken”, kreunde moeder van uit haar ziekbed. Het heeft me steeds verbaasd, ik bracht ze vaak water en depte dan telkens het zweet op hun voorhoofd en toch werd ik niet besmet. Met moeder begon het net een beetje beter te gaan, toen Ida en Lydia met twee dagen verschil gestorven zijn. Ze werden samen begraven en ik kan die sombere herfstdag maar niet vergeten. Moeder had zich uit bed gesleept en samen keken we naar de treurige rouwstoet die onder het slaapkamerraam voorbij trok. Daar gingen mijn twee oudste zussen en de tweede oudste dochters van Anastasia en Felix Kempeneers. Twee kisten staken boven de hoofden van de dragers en het gevolg uit. Het betekende pas het begin van een drama.”

Bertha Kempeneers heeft nooit begrepen waarom de Spaanse griep in haar familie zo meedogenloos heeft kunnen toeslaan. “Elk kind was weldoorvoed en blaakte van gezondheid. We hadden alles om de oorlog gezond en wel door te komen. Dat ondervoede, zwakke, zieke en oude mensen aan het dodende influenzavirus ten prooi vielen”, lijkt Bertha redelijk. “Maar toch de Kempeneersen niet!”

Maar dat was nu net het onwaarschijnlijke aan die Spaanse grieppandemie: ze koos haar slachtoffers het liefst uit onder de bevolkingsgroep van gezonde 15- tot 40-jarigen. Virologen zijn het er nog steeds niet over eens, maar meer en meer wint vandaag de bedachtzame conclusie terrein dat het sterke immuunsysteem van gezonde jongere slachtoffers te heftig op het virus reageerde en daardoor ook de gezonde cellen van het lichaam aanvielen.

Het overlijden van de oudste dochters Kempeneers was echter nog maar de voorbode van nog veel meer verdriet…

“Ik kan me de volgorde niet meer juist herinneren”, zegt Bertha. “Maar enkele dagen na de begrafenis van Ida en Lydia, werden ook Odile, Maria, Valérie en ons klein Vitalleke ziek. Het speelde zich allemaal af met tussenpozen, in een periode van weken. Rosalie en Désiré werden ook ziek, maar kropen door het oog van de naald. De vier anderen was hetzelfde lot beschoren als Ida en Lydia. Al gauw verzwakten ze zodanig dat ze niet meer aten en nauwelijks nog konden ademhalen. Een voor een gingen ze dood.”

Het onbekende virus nestelde zich inderdaad na een aantal dagen eveneens in de longen. De zieken kregen een longontsteking die niet kon worden behandeld en ze stierven. Er bestond nog een erger verloop van de besmetting, waarbij patiënten binnen de kortste keren doodziek werden, omdat de longen zich onmiddellijk met vocht vulden. Wegens gebrek aan zuurstof gaven de zieken donkerblauw gekleurd bloed over. Het aangezicht en de voeten sloegen donkerblauw tot zwart uit. Ademen lukte niet meer, zodat de slachtoffers stikten in een mengsel van vocht en bloed. Vandaar dat er even aan de pest gedacht werd. Gelukkig bleven de zussen en broers van Bertha zo’n afschuwelijke doodstrijd bespaard. Het verlies werd er natuurlijk niet kleiner en het verdriet niet minder door.

“Voor ons ma begon de hel op aarde”, gaat Bertha voort. “telkens als de doodsklokken van Bierbeek luidden, schermde ze haar oren af en krom ineen. Aanvankelijk slenterde ze doelloos rond, tot ze nu eens een voorschoot zag hangen van de een, of dan kwam ze een schoentjes tegen van een ander, en dan was het altijd prijs. Ze trok dan met mij naar haar schoonzus of naar de buren om voor de zoveelste keer het schrijnende relaas te doen. Ik kon het op den duur niet meer aanhoren als ze voor de zoveelste keer tegen zichzelf schreeuwde: “Ida, godverdomme, waarom hebt ge niet geluisterd en u laten overhalen door die zottin van een Florine.” Florine was eveneens gestorven, maar daar werd thuis met geen woord over gerept. Ik ben er zeker van dat moeder de verantwoordelijkheid voor het drama vooral bij zichzelf zocht, en dat ze zich verweet niet streng genoeg geweest te zijn tegen Ida.”

“Op een keer was het weer zover, het getier van moeder en de ganse rimram van die dode kinderen. Het was alsof mijn binnenste ontplofte en ik in huilen en schreeuwen ben uitgebarsten.”
Bertha wrijft zich over de borst en met vochtige ogen zegt ze: “Hier, vanbinnen, zit dat gevoel nog altijd en het doet nog even zeer als toen.”

“Moeder was geschrokken, maar ik had haar ogen geopend. “Ik moet erover zwijgen want dat kind heeft er evenveel last van als ik.”, hoorde ik haar tegen tante zeggen. Plots moet ze beseft hebben dat er buiten de zes dode kinderen nog drie in leven waren die haar nodig hadden. Vanaf dat moment heeft ze zich vermand. Ik heb er haar zelden nog over horen praten, maar ze werd nooit meer als voorheen. Ik vermoed dat ze er ook nooit met vader over sprak, hij hield zich sterk en trok zich terug in het werk. Na de oorlog is er nog een zusje geboren, Clara. Vader beweerde dat het moeders redding is geweest. Als ze Clara de borst gaf, bestond er even niets anders meer op de wereld. De komst van Clara heeft het verlies nooit goed gemaakt, maar verzachtte wel het verdriet. Zelfs àls moeder nog eens lachte, week de droefenis nooit uit haar ogen. Evenmin zoals ik de hartverscheurende pijn nooit heb kunnen verdrijven.”

“Eigen leed raakt het meest”, zegt Bertha. “Wat er in Leuven was gebeurd, zo dicht bij ons, verbleekte bij het drama dat ons persoonlijk raakte. Ik ben niet beschaamd om dat te zeggen. Zes van de negen kinderen die in enkele weken tijd door de Spaanse griep werden weg gerukt en net met het einde van de oorlog in zicht, waar moeder en vader zich zo moedig doorheen hadden gesparteld. Ge kunt u dat niet voorstellen.”

“Nog spelen de beelden van de begrafenis van ons Ida en ons Lydia zich als een haarscherpe film voor mijn ogen af. Hoe ik naast ons zieke ma stond toe te kijken vanachter het slaapkamerraam, terwijl buiten de rouwstoet met die twee kisten traag voorbij schuifelde. Moeder kneep in mijn hand en gilde: “Neen, neen … daar gaan ze met mijn kinderen!”...

Meer lezen

Philip Vanoutrive, De allerlaatste getuigen van WO I, uitgave Lannoo 2011.