De vergeten oorlog in Afrika

De Eerste Wereldoorlog speelde zich niet alleen in Europa af. Ook in 'zwart Afrika' werd zwaar gevochten door de 'Force Publique', wat voorheen het privé-leger van Leopold II was...

Op de Schaarbeekse Huart-Hamoirlaan staat een bescheiden maar uniek monument. Het herinnert ons aan de Congolese veldtochten tijdens de Eerste Wereldoorlog, meer bepaald aan de Force-Publique. Deze soldaten zorgden voor de laatste Belgische overwinningen in de Eerste Wereldoorlog op exotische plaatsen als Tabora of Saïo. Naar aanleiding van de Black History Month (BHM) [1] willen we deze onderbelichte gebeurtenissen in de geschiedenis van Afrika en Europa even oprakelen. Want er was ook een oud-burgemeester van Korbeek-Lo betrokken bij de 'Afrikaanse veldtocht'...

Oorlog in Afrika?

In het laatste kwartaal van de 19de eeuw ontstond de 'wedloop om Afrika'. De industrialisatie draaide op volle toeren en de Europese grootmachten waren op zoek naar nieuwe ontginningen van ertsen en de vergroting van hun afzetmarkten. Vooral Duitsland, dat pas sinds 1871 eengemaakt was, was gebrand om in de duistere Afrikaanse binnenlanden nieuwe kolonies te stichten, maar stuitte daarbij op het imperialisme van Frankrijk (dat vooral Noord- en West-Afrika beheerste) en Groot-Brittannië (dat vooral het oosten en zuiden van Afrika beheerste). Maar het was uiteindelijk de Belgische koning Leopold II [2] die – als lachende derde – het mooiste deel van Afrika binnenrijfde: Congo met zijn onmetelijke rijkdom aan ertsen (koper, goud, tin, diamant, en toen nog onbekende mineralen als kobalt en uranium...) en vooral de mogelijkheid om rubber te telen, belangrijk voor de opkomende auto-industrie.

Bij de Conferentie van Berlijn (1885) verwierf hij ten persoonlijke titel Congo Vrijstaat, terwijl Duitsland moest genoegen nemen met de minder interessante gebieden Togo, Kameroen, Zuid-West-Afrika (Namibië) en Tanganyika (zalmroze op de kaart hiernaast).

De Afrikaanse veldtochten

Maar eerst moest Leopold II afrekenen met de plaatselijke machthebbers, de uit Zanzibar afkomstige mahdi's, die de lucratieve handel in ivoor, goud en slaven controleerden. Leopold richtte daartoe de Force Publique op, een soort privé-militie onder leiding van huurlingen. De Force Publique probeerde ook het grondgebied uit te breiden en boekte daarbij o.a. succes in de slag van Redjaf (in het huidige Zuid-Soedan) in 1897, waar Leopold een haven probeerde te stichten aan de bronnen van de Nijl en waarbij de macht moest gebroken worden van de plaatselijke mahdi.

De Force Publique had ook een binnenlandse taak: samen met de legertjes van de maatschappijen die de zeer winstgevende mijn- en rubberconcessies uitbaatten, oefenden ze een waar schrikbewind uit. Door gewapende onderdrukking en regelrechte dwangarbeid werden duizenden inlanders ingezet als goedkope mijnwerkers of als rubbertappers. Deze hardhandige werkwijze werd (terecht) aangeklaagd, vooral door Engelse publicisten [3], die echter 'uit het oog verloren' dat het Empire in haar kolonies ook miljoenen inlanders als dwangarbeiders gebruikte.

De Eerste Wereldoorlog in Afrika

In augustus 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit: de Force Publique had op dat moment 17.800 manschappen -'askari's' [4] genoemd, 20.000 vaste dragers en 200.000 tijdelijke dragers in dienst. Duitsland liet zich direct gelden door al op 4 augustus 1914 de telefoonlijnen en de inlandse kano's (belangrijk voor de koeriers) in de Congolese havenstad Uvira te vernielen. België had ondertussen de oorlog verklaard en ging een coalitie aan met de andere geallieerde legers in Afrika: samen met de Fransen veroverden ze Bonga en Zinga in Kameroen, en Abercorn in het huidige Zambia. Op 8 augustus bombardeerde een Engelse kruiser de havenstand Dar-es-Salaam (Duits Oost-Afrika of Tanganyika) maar een landing met Indiase hulptroepen draaide faliekant uit. In april 1915 startte de Force Publique een aanval uit vanuit Kivu naar de districten Ruanda en Urundi in Tanganyika. Daarvoor legde de Belgische overheid de inlanders verplichte quota op voor het leveren van extra dragers en voedsel. Dit leidde tot een algehele ontreddering, zelfs tot een hongersnood, in de Kivustreek.

De slag van Tabora

In februari 1916 trokken twee legers van de Force Publique in een tangbeweging Tanganyika binnen. De eerste divisie, o.l.v. Molitor, veroverde op 9 mei Kigali, de tweede divisie o.l.v. Olsen deed hetzelfde op 6 juni in Usumbura. Ondertussen rukte het Britse leger op vanuit Kenya en Uganda. De Duitse havenstad Kigoma (aan het Tanganyikameer) werd door lokale troepen beschermd, die geen partij waren voor de Belgen. Op 28 juli viel de havenstad en kwam de spoorweg naar Dar-es-Salaam in zicht. De Belgen gingen door op hun elan en vielen het strategisch meest belangrijke knooppunt Tabora aan in centraal Tanganyika, dat viel op 19 september 1916. Ondanks de vernieling van de spoorlijn door Duitse troepen slaagde de Force Publique erin om Dar-es-Salaam te bereiken. Dit alles ging gepaard met enorme verliezen: bij de Afrikaanse veldtocht sneuvelden naast 145 blanke officieren 1.895 zwarte askari-soldaten, 7.100 vaste dragers en meer dan 20.000 tijdelijke dragers...

Er was ook een Bierbekenaar betrokken bij deze veldtocht. Baron Vincent de Paul Ernst de Bunswyck (1876-1963) was in 1914 als vrijwilliger ingelijfd als luitenant bij 4de Divisie Jagers te Paard en werd in 1915 ingezet in Afrika. Van september 1916 tot augustus 1917 werd hij bevelhebber van de Force Publique in Kigoma, de havenstad aan het Tanganyikameer. Na de oorlog zou hij de gemeentepolitiek ingaan en burgemeester van Korbeek-Lo worden tussen 1930 en 1938.

En de Duitsers? Onder leiding van de beroemde generaal Von Lettow [5] trokken de Duitse officieren en hun askari's zich terug in het onherbergzame Zuiden van Tanganyika en bleven uit de handen van de geallieerden tot november 1918. Zij zwierven zelfs tot (Portugees) Moçambique en voerden geregeld guerrilla-aanvallen uit om zich in leven te houden.

Wat daarna?

Na de Eerste Wereldoorlog, bij de Vrede van Versailles verkreeg België de mandaatgebieden Ruanda en Urundi [6]. Zij kregen daarenboven belangrijke privileges in de havens van Dar-es-Salaam en Kigoma, waardoor deze twee havens tijdens de kolonisatie van Congo een belangrijke rol speelden. Langs daar zouden miljoenen tonnen koper en tin uit Katanga verscheept worden naar Europa en Amerika voor, tijdens en na WO II (lees later).

Duitsland verloor bij het Verdrag van Versailles al zijn kolonies: dit werden mandaatgebieden van de Volkerenbond, bestuurd door de andere koloniale machten. West-Togo werd aan de Engelse Goudkust [7] toegevoegd, Oost-Togo werd Frans. Ook Kameroen [8] werd opgesplitst door Groot-Brittannië en Frankrijk, maar bij de onafhankelijkheid in 1961 opnieuw verenigd. Zuid-West-Afrika [9] werd toebedeeld aan Zuid-Afrika en werd pas sinds 1990 onafhankelijk. Tanganyika werd Engels (behalve de districten Ruanda en Urundi). Zo verwezenlijkte Groot-Brittannië de droom van de Zuid-Afrikaanse diamantmiljardair Cecil Rhodes [10]: een aaneensluitend Engels gebied tussen Egypte en Zuid-Afrika. Maar net zoals alle andere Afrikaanse landen werd ook Tanganyika onafhankelijk in 1961 en sinds 1964 is het gefusioneerd met het eiland Zanzibar tot de republiek Tanzania.

De Tweede Wereldoorlog

Voor de Tweede Wereldoorlog was het niet Duitsland, maar Italië dat imperialistische plannen koesterde in Afrika. De troepen van Mussolini veroverden in 1935 het onafhankelijke keizerrijk Abessinië – het huidige Ethiopië, na zware gevechten en het gebruik van mosterdgas, waarbij honderdduizenden doden vielen. In 1940 was de Force Publique de enige Belgische legereenheid die zich niet overgaf en zo bleef Belgisch-Congo onbezet. Bij een geallieerde aanval op Abessinië, versloeg de Force Publique, met steun van de Zuid-Afrikaanse luchtmacht, de Italiaanse troepen nabij Saïo op 3 juli 1941. Dit was een van de weinige militaire veldslagen in Zwart-Afrika tijdens WO II en minder bekend dan de veldslagen in Noord-Afrika. Na deze veldtocht werd Ethiopië opnieuw onafhankelijk en keerde keizer Haile Selassie (1892-1975) terug.

Belgisch-Congo bleef vooral strategisch belangrijk voor haar geallieerde partners omwille van zijn grondstoffen. De rubberwinning ging een tweede leven in: men ging in het diepe oerwoud onder verschrikkelijke werkomstandigheden zelfs 'wild' rubber oogsten... De (zwarte) mijnwerkers van Union Minière moesten in onveilige omstandigheden 800.000 ton koper delven voor wapentuig voor de geallieerde legers. En last-but-not-least werd in de Shinkolobwe-mijn (Katanga) het uranium opgehaald dat gebruikt zou worden voor de atoombom op Hiroshima.

Na de onafhankelijkheid

De Force Publique werd na de onafhankelijkheid van Congo in 1960 ontmanteld en ging op in het reguliere Congolese leger. De Askari-oud-strijders kregen een Belgisch militair pensioen uitbetaald tot 1965. Daarna moest alles door de Congolese staat uitbetaald worden. Tijdens de Mobutu-dictatuur werden de askari's dan ook niet langer uitbetaald, dit in tegenstelling tot Askari's, die ooit in Duitse dienst vochten. Om nog maar te zwijgen van de tienduizenden dragers, die vaak gedwongen werden om met hun hele gezin de veldtochten van de Force Publique mee te volgen: zij kregen helemaal niets.

[1] Meer info op www.wikiwand.com/nl/Black_History_Month.

[2] Leopold II (1835-1909) investeerde in de expedities van Henry Morton Stanley (1841-1904) en Herman Von Wissman (1853-1905) om het Congo-bekken te 'ontdekken' en te ontsluiten. Tot 1908 was Congo persoonlijk bezit van Leopold II die miljoenen hieraan verdiende. Hij investeerde veel van deze winsten in grote infrastructuurwerken in Brussel en Oostende. Pas in 1908 liet hij Congo Vrijstaat over aan de Belgische staat.

[3] Er waren vernietigende rapporten over het 23-jarige schrikbewind van Leopold II: volkerenmoord, slavernij, ontvoeringen, martelingen, verkrachtingen, onthoofdingen en het afhakken van handen. De schattingen over het aantal slachtoffers variëren aanzienlijk: de Brits-Ierse diplomaat Roger Casement heeft het over 3 miljoen, Peter Forbath noemt ten minste 5 miljoen, Adam Hochschild spreekt zelfs van 10 miljoen.

[4] Askari is een Swahili-woord voor 'soldaat' en komt van het Arabische 'askar', wat ook soldaat betekent

[5] Paul-Emil Von Lettow-Vorbeck (1870-1964) was de Pruisische opperbevelhebber van Duits Oost-Afrika. Hij was een atypisch generaal, die op handen gedragen werd door zijn askari-soldaten. Zo zou hij na de nederlaag geweigerd hebben om te dineren met de Britse generaals alvorens zijn askari's hun soldij uitbetaald kregen.

[6] Ruanda en Urundi werden in 1962 onafhankelijke landen: Rwanda werd een republiek met hoofdstad Kigali, Burundi werd (tot 1966) een koninkrijk met als hoofstad Bujumbura. De door de Duitsers ingevoerde segregatie tussen Hutu's en Tutsi's zou in 1994 leiden tot de Rwandese genocide.

[7] De Engelse Goudkust werd als Ghana onafhankelijk in 1957. Hoofdstad werd Accra. Frans-Togo werd als Togo onafhankelijk in 1960. Hoofdstad is Lomé.

[8] Kameroen werd opnieuw verenigd bij zijn onafhankelijkheid in 1961. Hoofdstad is Yaoundé.

[9] Zuid-West-Afrika bleef lange tijd een kolonie van Zuid-Afrika en werd pas bij het afschaffen van het apartheidsregime een onafhankelijk land, Namibië, in 1990. De hoofdstad is Windhoek.

[10] Cecil Rhodes (1853-1902) was een Brits-Zuid-Afrikaans industrieel en politicus. Hij erfde een katoenimperium en werd een van de rijkste mensen ter wereld als oprichter van De Beers Mining Company, de diamantreus. Hij ijverde voor een doorlopend 'Engelssprekend' gebied en droomde van een transcontinentale spoorweg van noord naar zuid (cartoon uit 'Punch').

Meer lezen
  • David Van Reybroeck, Congo: een geschiedenis, uitg. De Bezige Bij 2010.
  • Lucas Catherine, Loopgraven in Afrika, uitg. EPO 2013.

Liebrecht Salen (voor de werkgroep Oorlog&Vrede)