Het drama van De Root

Bij de 'Brand van Leuven' vielen ook in Korbeek-Lo meer dan 20 slachtoffers. De meesten ervan woonden in kleine arbeiderswoningen aan De Mol, ook wel 'De Root' genoemd. Onze werkgroep kon een reconstructie maken van het drama dat zich daar afspeelde op 24-25 augustus 1914.

‘De Root’, een rij van zes woningen gelegen op het gehucht 'De Mol' langs te Tiensesteenweg, werd in 1914 het ergst getroffen wat het aantal doden betreft. Acht in totaal, gespreid over drie gezinnen. Overal werden mensen in koelen bloede doodgeschoten, gewurgd of verstikt. Anderen werden weggevoerd richting Duitsland. De gelukkigen konden vluchten en overleefden…

Vanaf 19 augustus trokken de Duitse regimenten langs de Tiensesteenweg richting Leuven. Telkens een andere troep voorbijtrok, werden de nog aanwezige inwoners, vrouwen en kinderen en nog enkele mannen, uit hun woningen gehaald. Onder bedreiging van geweren en bajonetten werden zij gedwongen voor de woningen post te vatten. De vrouwen en de kinderen moesten water bijhalen en de mannen moesten het inschenken voor soldaten en dieren, na vooraf zelf te hebben gedronken.

Op 24 augustus in de avond, de kinderen en ook de grote mensen waren reeds naar bed, brak het geweld los. De officieren en soldaten, die verwensingen, scheldwoorden en bedreigingen uitten bij iedere gelegenheid, begonnen die avond plots te schieten op alles wat bewoog…

Familie Kestens

Weduwe Kestens betrok de hoek van de rij richting Tienen. Zij hadden ook dagen na mekaar, zoals alle aanwezige inwoners van het gehucht, de doortrekkende Duitsers moeten bevoorraden met water. De bewuste avond van 24 augustus werden zij uit hun woning gehaald. Ze werden ervan beschuldigd dat ze op de Duitsers geschoten hadden. De Duitsers dreigden de mannen onmiddellijk dood te schieten, wat meteen ook gebeurde met de hond.

Eugène, de broer van de weduwe, zat nog op de kamer en weigerde uit angst beneden te komen. Eén van de vrouwen vreesde het ergste, wist te ontkomen en verwittigde de juffrouwen Ernst de Bunswyck, die een beetje verderaf op het kasteel woonden. Deze dames spraken vloeiend Duits , kwamen aanstonds mee en konden de Duitsers ervan overtuigen dat Eugène niet bewapend was. Niemand van de mensen van het gehucht bezat overigens een vuurwapen. Eugène was dan bereid naar beneden te komen en werd met de vrouwen naar de koer van de school (100 meter verder richting Tienen) gebracht, waar de Duitsers daags nadien beslisten dat hij naar Duitsland zou overgebracht worden. Te voet ging het naar Tienen en vervolgens naar Luik en allen blootvoets.

Doch erger verging het Frederik en Albert Kestens. Zij werden achter in de moestuin gebracht die, gelijklopend met de Tiensesteenweg, langs het huis gelegen was. Het was een strook van een vijftigtal meters en in de uiterste hoek werden ze gedwongen ieder zijn eigen put te graven. Enkele dagen later vond men hen, de putten vluchtig met aarde dichtgegooid. Frederik werd gewurgd met de rode zakdoek die hem tot halsdoek diende. Albert Kestens was doodgeschoten.

Familie Gooris

Bij Jan Gooris, liep het evenmin goed af. Jan was weduwnaar, 71 jaar en gepensioneerde van de Centrale Werkplaats te Kessel-Lo. Bij hem woonde zijn dochter Jeanne, die gehuwd was Jules Ickx. Dit paar had twee kinderen, namelijk Philip (8) en Jan (4) en derde was op komst.

Jeanne hield winkel en tevens café. Door het herhaald schieten waren ze in de kelder gevlucht. Het was niet de eerste keer dat zij uit hun huis gehaald werden en voor de deur geplaatst werden om de soldaten en hun dieren drinken te geven. Zij zaten met zijn allen in de kelder toen het begon te branden. Ook zij konden niet meer uit de kelder. Tot overmaat van ramp lag in het achterhuis een hoop kolen voor verkoop in kleine hoeveelheden en stond in de winkel een vat met 100 l petroleum.

De brand in de woonvertrekken ontwikkelde reeds een verstikkende rook en hitte, en kwam daarbij nog de brandende petroleum en de kolen. De kelder was niet hoog en om de hitte van de gloeiende ‘poutrelles’ te beperken werd er bier tegenaan gegooid. Om de benauwdheid van rook en hitte te keer te gaan werden voor de kelderopening flesjes geuze kapotgeslagen en de kinderen werden er met hun neus overgehouden om opnieuw op adem te komen.

Jan Gooris was een eerste maal, bij nacht, langs een kelderopening, achter in de kelder met een paar stukken verhard brood uit de kelder gekropen om deze in de kleiputten in het vuile water te drenken. Als hij de volgende nacht, ditmaal in gezelschap van zijn schoonzoon, hetzelfde bravourestukje uithaalde, liet hij Jules alleen in de kelder terugkeren en kroop zelf langs grachten en velden naar het gehucht “Den Duvel” gelegen langs de Hoegaardenstraat waar hij op de boerderij van Suske Sloep terecht kwam. Hij had nog de kracht te zeggen dat onder de rij nog mensen verborgen zaten. Hij bezweek een paar dagen nadien aan brandwonden die hij had opgelopen aan hoofd en schouders. Die wonden waren veroorzaakt doordat hij, groot van gestalte, herhaaldelijk tegen de gloeiende poutrelles aanstootte.

Bij dageraad gingen de jongens van Suske Sloep op pad om het gezin vanonder het nog brandende puin te halen. Ze moesten aanstonds op hun stappen terugkeren daar de Duitsers nog steeds op de burgers schoten. Bij Suske Sloep waren evenwel Duitsers ingekwartierd, die de onmiddellijk in de buurt gelegen bruggen moesten bewaken. Suske deed dan zijn verhaal aan het hoofd van deze wachten en deze officier, was meteen bereid de jongens van Suske te vergezellen. En met vereende krachten werd het gezin Jules Ickx van onder het puin gehaald. De kinderen waren buiten westen, maar kwamen vlug terug bij. Het gezin verbleef nog verschillende weken bij Suske Sloep.

Familie Boon

Tussen het gezin Gooris en weduwe Kestens woonde Alfred Boon, een arbeider van de steenbakkerij. De man was opgeroepen om het leger te vervoegen en zijn echtgenote Marie Van Billoen was met haar twee kindjes, Bertha en Gust naar haar familie gevlucht. Op 24 augustus ontsprong Alfred de dans. Doch zijn naam komt voor op de herdenkingsplaat van de gesneuvelden. Ook voor hem was de oorlog het bittere einde.

Familie Vandenbak

24 augustus: Petrus Vandenbak, 16 jaar oud, kwam de trap opgehold al roepende: “Moeder, de Duitsers gooiden iets binnen, de spiegel vloog stuk en het huis begint te branden”. Blondine gritste de kinderen uit het bed en samen met haar man en de kinderen holde ze de trap af en ging het ganse gezin schuilen onder de donkere holte van de bakoven. Petrus liep evenwel verder de trap op, om op de kamer zijn kousen aan te trekken. In het naar buiten hollen bemerkte hij niet dat vader en moeder, zijn broers Emile, Louis en Philomène onder de bakoven verscholen zaten. Hij liep over de steenbakkerij een bietenveld in waar hij door een Duitse officier te paard werd ingehaald, omvergeworpen en doodgeschoten. Zijn lijk werd enkele dagen nadien aldaar gevonden.

Philomène Vandenbak, toen 12 jaar oud, verhaalde dat ze allemaal, zwart als roet, de volgende ochtend 25 augustus door de Duitsers vanonder de oven gehaald werden en langs de nog steeds brandende rij naar de koer van de school gebracht werden. Rond een tafel zaten een zestal Duitsers met punthelmen. Ze werden er van beschuldigd op de Duitsers geschoten te hebben. De mannen werden van de vrouwen en kinderen gescheiden. Ze begrepen het gebrul van de Duitsers niet en een viertal deed wat ze dachten dat de Duitsers van hen eisten, namelijk in de richting van de haag lopen. Ze werden meedogenloos neergeknald. De overige mannen werden, het merendeel blootvoets, meegenomen naar Tienen, sommigen naar Hoei en werden na enkele weken vrijgelaten.

Blondine en haar kinderen werden naar het Mollenwegje geleid. De rij brandde nog altijd. Aan het Mollenwegje werd Blondine door de Duitsers de raad gegeven zich achter de stakenbonen in de tuintjes te verbergen. Philomène betrouwde die raad niet en trok haar moeder verder naar de kleiputten. Deze stonden echter vol water en langs het achtergelegen bietenveld holde het gezin verder tot Bierbeek. Ze werden daar, zoals vele vluchtelingen, opgevangen door de dorpspastoor die hen onderbracht in de dorpsschool en hen voorzag van kousen en schoeisel. Dat de vrees van Philomène niet ongegrond was, bleek enkele dagen later toen het lijk van broertje Petrus in de viervaantjesput gevonden werd.

Familie Vandergeten

Het gezin Vandergeten was samen met andere families van het gehucht o.a. het gezin Dèsirè Vanbeveren en dit van Frans Willems op de vlucht gegaan en zij belandden uiteindelijk na een boottocht in La Rochelle (FR). Alleen de oudste zoon van het gezin, namelijk Hector, was achtergebleven. Daar hij niet graag alleen in huis bleef had hij de buurman gevraagd of de zoon Guillaume bij hem mocht overnachten, wat werd toegestaan. Zij werden de bewuste nacht uit het huis gehaald en gevankelijk meegevoerd naar de Mechelsesteenweg. Op de Mechelsesteenweg, boven de Caesarsberg, werden zij verplicht hun grafkuil te delven. Hector, die tamelijk vlot Frans sprak, kwam tijdens het delven in gesprek met een Duitse officier, die Frans sprak. Aan dit gesprek hadden zij te danken dat ze vrijgelaten werden. Ze kozen onmiddellijk het hazenpad richting Korbeek-Lo en vervolgens Bierbeek.

Familie Terclavers

In het laatste huis van de rij, richting Leuven, ontdekte men door de kelderopening de lijken van de ganse familie Terclavers: Terclavers Joseph, zijn echtgenote Scheepmans Virginie, hun schoonzoon Vandenbroeck L. en hun dochter Virginie en het kleinkind van eerstgenoemde zaten op een bank tegen de overliggende muur van de kelder . Dood.

De rij, waarvan hun woning met de aanliggende stal de hoek vormde, brandde boven hun hoofden totaal uit. Zij hadden hun toevlucht gezocht in de kelder. Verschillende malen hadden zij getracht langs de kelderopening te ontkomen, telkens werden zij met bajonetten door de Duitsers teruggedrongen. Uiteindelijk waren zij gelaten op de bank gaan zitten en verstikten.

Deze reconstructie is gebaseerd op de getuigenis van één der kinderen, Mevr. Philomène Vandenback afgelegd op 82-jarige leeftijd aan De Streekkrant op 27/07/1990. In dat jaar werd de (verkrotte) huizenrij, die in de jaren 20 opnieuw opgebouwd werd op de plaats van de ramp, afgebroken om de epressweg (Meerdaalboslaan) aan te leggen.

Meer lezen

Interview De Streekkrant met Philomène Vandenbak, 27/07/1990.

Marc Bracke voor de werkgroep Oorlog&Vrede